Hij promoveerde te Leiden in de rechten 4 Febr. 1625 en werd dat jaar advocaat voor het Hof van Holland en voor den Hoogen Raad. Twee jaar later ontving hij zijn benoeming tot griffier van het Vrije van Sluis, het deel van Staats- Vlaanderen, dat omvat het baljuwschap van Sluis, het Aardenburgerambacht en het Land van Cadzand. In 1630 werd hij raad-supernumerair in den Raad van Vlaanderen, sedert 1599 te Middelburg gevestigd, van wiens vonnissen revisie kon gevraagd worden aan de St.-Gen., die de zaak in loco deden instrueeren en dan de stukken opzonden aan een der provinciale hoven ter afdoening. Tevens fungeerde de R.v.Vl. als leenhof. In 1653 tot pensionaris honorair van Veere benoemd, volgde in 1663 zijn benoeming tot pensionaris van Middelburg. Als zoodanig verscheen hij ook ter St.-Generaal.